Kees Stip

Kees Stip (1913-2001) was een virtuoos puntdichter, die duizenden korte gedichten schreef waarin vaak dieren of plaatsnamen figureerden. Hij studeerde klassieke letteren en debuteerde als student in 1941 met 'Dieuwertje Diekema', een parodie op wat waarschijnlijkste het bekendste Nederlandse gedicht van die tijd was: 'Maria Lécina' van J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958).

Kees Stip was na de oorlog werkzaam voor kranten als De Volkskrant, het NRC Handelsblad, Het Nieuwsblad van het Noorden en was redacteur van het Polygoonbioscoopjournaal. Bovendien was Stip actief als scenarioschrijver van voorlichtingsfilms voor de RVD en schreef hij teksten voor de radio en reclame.

In 1951 begon hij voor de Volkskrant nonsensicale dierenverzen te schrijven onder het aan Multatuli ontleende pseudoniem Trijntje Fop: De dierkundige dichtoefeningen van Trijntje Fop (1955), Beestachtigheden (1956), Ezelsoor (1957) en De peperbek (1966). Hij schreef daarnaast nogal wat maatschappijkritische sonnetten, onder andere gebundeld in Een kind met kikkerpoten (1987)

Tachtigjarige oorlog
Beestachtigheden

Tachtigjarige oorlog


Kees Stip - Tachtigjarige oorlog

Tachtig jaar oorlog is toch al te gek.
Als zuigeling moest je de fles al pakken
om die Spanjaard naar zijn kop te smakken.
later kreeg hij je krukken in zijn nek.

Het slot waar je historisch naar zou snakken
lag veel te vroeg op de verkeerde plek.
Het klapstuk was die hutspot zonder spek,
vergeten bij hun biezen in te pakken.

Of een klein land ook groot kan zijn, en hoe!
Frankrijk en Engeland, Munster en Keulen
zich ook nog op ons af te laten beulen,
dat kon er zelfs als toetje nog op toe.
Vol vaderlandse vechtlust in mijn vaantje
marcheer ik fier achter mijn grootheidswaantje.

uit: Hij dicht zo licht. Honderveertien sonnetten, 1996

Het gedicht 'Tachtigjarige oorlog'

Hieronder staan een paar vragen, een beetje schools (want oorspronkelijk bedoeld voor middelbare scholieren), maar de vragen wijzen wel op een aantal aardige zaken van gedicht.

- Het gedicht verdient enige kennis; dan zie je bijvoorbeeld welke prachtige woordspelingen de dichter maakt in de laatste twee regels van de tweede strofe. Informatie over woordspelingen staat hier en als je dat gelezen hebt, zul je begrijpen dat je wat woorden moet opzoeken (dat kan bijvoorbeeld in Van Dale Online Woordenboek. Om die regels van Kees Stip te kunnen waarderen, moet ook iets meer weten van de Tachtigjarige Oorlog en vooral welk verhaal de ronde doet over Leidens Ontzet. Informatie daarover vind je hier. En niet te vergeten: je moet ook nog verstand van kookkunst hebben en de nodige informatie daarover vind je op WebChef recept.

- Welke informatie over Leidens Ontzet heb je nodig om die laatste regels van de tweede strofe van het gedicht van Kees Stip goed te begrijpen en wat moet je van kookkunst weten?

- Wat is een woordspeling?

- Welke woordspeling(en)/grapjes maakt Kees Stip in de tweede strofe?

Beestachtigheden


Kees Stip - Beestachtigheden

Op twee bizons

Twee bizons speurden op de rede
van Zandvoort naar bizon-derheden.
De ene sprak: "Er komen strakjes
weer bizons in bizonnepakjes.
De bizons die ik zonder zie
zijn in de zon toch niet zo bi."


Op een kip

Een kip sprak peinzend tot een ei:
"Wie was er eerder: ik of jij?
De wijsbegeerte mag misschien
op deze vraag geen antwoord zien,
maar ik heb, wat men ook mag zeggen,
nog nooit een ei een kip zien leggen."


Op een kraai

Een kraai die een juwelenschat
van tien miljoen gestolen had
sprak pienter: "Als ik deze serie
nu wegstop in een ministerie
tussen de stukken, afgedane,
dan zal er wel geen kraai naar hanen."


Op een muskusrat

Een werkeloze muskusrat
zat in de buurt van Zandvoort-Bad
achter een weduwe te loeren
die daar de mussen placht te voeren.
"Ik heb," zo sprak het beest belust,
"al maandenlang geen mus gekust."


Op een aal

Een aal die bij diverse bieren
het oude jaar had zitten vieren
werd, toen hij na een warme prak
de hoofdverkeersweg overstak
om daar het nieuwe in te halen
opeens verdeeld in vier kwart-alen.


Op een takshond

Ach, sprak een takshond, ach hoe graag
zou ik weer wonen in Den Haag,
in de omgeving van het Plein
waar zulke dikke bomen zijn!
De Korte Poten daar dichtbij
heet nog gedeeltelijk naar mij."


Op een woerd

Den Haag,zo zegt een woerd, is blijkbaar
per trein uit Utrecht onbereikbaar.
Want telkens als ik het probeer
begint een goudgebiesde heer
zijn longen vol met lucht te happen
en roept dan: "Woerden overstappen!""


Op een garnaal

Toen een kooplustige garnaal
terugkwam bij haar heer gemaal
toen droeg zij om haar tere bastje
een beeldschoon bruineberejasje.
En toen zij vroeg: "Hoe vind je het?"
sprak hij: "Het staat je heel kroket."

uit: Beestachtigheden, z.j.